Flaneren kun je leren | Meer leven

Al sinds eind vorig jaar is de subtitel van mijn blog “minder spullen, meer leven”. Dat eerste, daar schrijf ik genoeg over. Op praktische wijze meestal, in de vorm van tips of stappenplannen. Allemaal eigen ervaring, want ook ik ben nog steeds bezig met het praktische minimaliseren: het wegdoen van overbodige spullen.

Maar dat “meer leven”, dat stukje vind ik soms moeilijk vorm te geven. Ik schrijf over een eenvoudiger leven, over levenskeuzes maken en ook over genieten van de dingen van alledag. Maar hoe kan ik, vanaf een schermpje, vertellen hoe je méér kunt gaan leven? Wat is dat eigenlijk? En wat maakt mij tot de koningin om hier over te oreren?

Geen stappenplannen en tips op dit gebied dus. Maar toch vind ik het belangrijk om bij dit onderwerp stil te staan. Bijvoorbeeld met zo’n vage blogpost als deze 🙂

“Genieten van kleine dingen”, die zin wordt te vaak inhoudsloos geopperd.

Wat met “meer leven” bedoeld wordt, is voor iedereen anders. Dat vind ik juist tof. Voor mij betekent het dus dat eenvoudigere leven, niet de rat race, niet alles bigger-better-stronger. Genieten van de kleine dingen klinkt zo simpel en die zin wordt ook te vaak inhoudsloos geopperd. En toch is het juist dát, wat ik nastreef als minimalist. Meer nog dan X-aantal spullen wegdoen per maand of het realiseren van een georganiseerde keuken.

Hollands flaneren

Dus ga ik mijn best doen om meer te schrijven over meer leven. En in mijn zoektocht naar een ingang voor een blogpost, kwam ik het Franse woord flâneur tegen. Wij kennen het hier vanaf verbasterde woord: flaneren. Bij deze Nederlandse term denk ik aan een wat ouder stel dat over de boulevard in Spanje loopt, ruggen gebogen, de hoge appartementsgebouwen aan de ene kant, de zee aan de andere kant, puffend en klagend over het warme weer (sorry).

De Franse term is een zelfstandig naamwoord, iemand kan dus een flâneur zijn, zoals een monteur iemand is die kan monteren. Het is een bewuste nietsdoener, een treuzelaar zelfs. Tot halverwege de 19e eeuw was het geen pretje om flâneur te zijn; het stond gelijk aan de term vagebond of zwerver.

Hier heb ik een heel ander beeld bij. Ik zie een oudere heer voor me, stoffig uiterlijk, met een hoed en een strootje in z’n mond, die, ’t is hoogzomer, door Franse velden loopt terwijl de zon langzaam ondergaat. Met een knikje groet hij een boer die nog in het veld werkt, ook al is het al laat.

Later veranderde dat. De flâneur werd romantisch-triest, maar berustend. Het werd een figuur die “voelde” en interactie had met steden en mensenmassa’s, soms door het direct te ervaren, dan wel het te waarnemen van een afstandje. Treuzelen op een goede manier, dus.

Flaneren 2.0

Tijd voor een moderne versie van een flâneur. Laten we er dan maar meteen een Nederlands woord van maken zonder ‘dakje’: een flaneur dus, iemand die wandelt door een stad of landschap zonder een direct doel, mijmerend, observerend en soms onderdompelend.

Dat valt te leren door het simpelweg te doen. Flaneren kun je overal, in je eigen wijk net zo goed als in een vreemde stad. Een flaneur kun je zijn op de fiets, in de auto en zelfs in een overvolle trein.

Zet je zintuigen op scherp. Praat even niet, maar “voel” de omgeving: hoe ruikt het, hoe klinkt het, welke vibe krijg je van de mensen om je heen, van de ruisende duinen of van de spelende kinderen verderop?

Gewoon. Opzettelijk doelloos.
En dat is dan eigenlijk juist weer heel bijzonder.

xAnja